.png)
LENTE
De winterslaap houdt mij in de greep,
vaste patronen op het witte tapijt.
Tot de klokjes lijkbleek de laatste sneeuwman kussen
en ik mijzelf uitzoom van dichtbij.
De eerste kopjes doen de grond nog aarzelen,
lentekriebels in gesmolten boterbloem.
Mijn blauwe boezem drijft langs stille oevers,
jouw rode haan ontsteekt het waterlicht.
Het verlaten zomerhuis waar we liggen te stoven,
cirkelende meeuwen in een voltooid zeegezicht.
Schaterende trompetten, wiegende heupen,
je irissen knetteren korenbloem.
Of zijn je ogen bruin gelogen?
De herfststorm plukt aan de dode takken:
een maalstroom, niets blijft ongebroken,
de berenklauw schijnheilig in je zak gestoken.
Als de ringslang meanderend
opnieuw een winters hol betreedt,
tel ik de sterren af naar nul.
Oh, was het maar één nacht weer lente.